De Ronde van Alkmaar

BLAEUSTRAATKWARTIER GESCHIEDENIS Deel 7
door Jan E. Hooijberg

Ineens, op een zaterdag in de zomer van 1948, lagen er weer strobalen in de bochten aan de kant van de weg. Toen wij om 12 uur uit school kwamen zagen we ze al vanaf de brug. En meteen wisten we het: Morgen is de Ronde van Alkmaar!
De jaarlijkse wielerwedstrijd rond onze buurt, vanaf kort na de oorlog gedurende tientallen jaren georganiseerd door de vereniging Alcmaria Victrix. Ogenblikkelijk sloeg bij ons de koorts toe. We haalden de fietsen uit de schuurtjes en we begonnen onze eigen ritjes over het bekende parcours.
De start was als bij de echte ronde op de Jan van Scorelkade bij de Emanuel de Wittestraat; daarna reden we naar de molen, draaiden de Nicolaas Beetskade op en sjeesden 375 meter naar de Van der Lijnstraat. Vervolgens ging het door de Enderleinstraat naar de “Jan van” en dan in een lange sprint op weg naar de finish.
Die wilde ritjes over het bijna autovrije parcours waren nog volkomen veilig, ook al reden we zelfs een stukje over de doorgaande verkeersroute naar Hoorn en Den Helder.
Stel je eens voor, zo vlak na de oorlog. Mijn fiets was oorspronkelijk een herenmodel dat op enkele plaatsen was doorgezaagd, ingekort en weer aan elkaar was gelast.
Ik had de mazzel dat mijn vader metaalbewerker was en dat allemaal kon. Daarmee had ik een benijdenswaardig bezit. De meeste jongens reden op volwassen modellen en konden pas bij de trappers nadat die voorzien waren van dikke houten klossen.
Alex Dokter, van de kruidenierswinkel, had zo’n hoog frame dat hij zelfs dan nog niet kon rijden. Daarom was een tijd lang het zadel eraf gehaald en een kussen met touw om de stang gebonden, waarop hij moest zitten.
Thijs de Graaf, van Wollebrandtstraat 13, was de enige met een echt model jongensfiets, maar hij had de kracht niet om in de eindsprint iets te presteren en werd door ons laatdunkend beschouwd als pelotonvulling.

gesch_dl7_f1.png
 De Houtvaartbrug omstreeks 1960. De A.N.W.B. wijzer geeft de richting Den Helder en Hoorn aan: Langs de Nicolaas Beetskade en de Kruseman van Elteweg naar de Helderseweg.

Oudere jongens zoals Roel Heilijgers van de Nic. Beetskade 33 (een jaar of vijftien en beroepsscharrelaar in statu nascendi), hadden al handelend betere modellen in elkaar geprutst, zelfs met een heus racestuur.

Het totale parcours was 1070 meter lang. Dat werd tijdens de echte wedstrijd door de amateurs 95 maal gereden, zodat ze ongeveer 100 km. moesten afleggen.
De nieuwelingen, jongens van een jaar of 18, reden in een voorwedstrijd ongeveer 65 km.

Zondagochtend rond tien uur werden de langslapers gewekt door muziek die uit de luidsprekers klonk, opgehangen aan lantarenpalen. De geluidsinstallatie werd bediend vanuit de jurywagen bij de startplaats, in de berm naast de sloot.

gesch_dl7_f2.png
De start van de “nieuwelingen” Jan van Scorelkade bij de Emanuel de Wittestraat, omstreeks 1975.

De eerste renners kwamen de buurt binnenstromen en belden links en rechts aan bij de bewoners met het verzoek of ze zich even ergens in hun huis mochten omkleden.
De toegangen tot de buurt werden in de loop van de ochtend afgezet met een twee meter hoog zeildoek dwars over de weg Op het trottoir was nog maar een kleine opening waar je langs een tafeltje het terrein kon betreden of verlaten.
Het was de bedoeling dat later op de dag het publiek daar entree zou betalen, maar vele belangstellenden trokken al het terrein op nog voor de controleurs hun plaats hadden ingenomen. Want wielrennen was in die dagen vooral een sport van de gewone man en elk kwartje dat men kon uitsparen was meegenomen.
Zo was het rond koffietijd al vaak een gezellige drukte op het parcours. Fruithandelaar Helderman richtte zijn plekje in en van buiten de buurt kwamen een ijsco-mannetje en een frisdrankenverkoper hun stalletjes opbouwen.
Vooral aan de zonnige zuidkant was het goed toeven, want langs de Jan van Scorelkade kon het nog wel eens fris zijn. Vandaar dat langs de Nic. Beetskade en Van der Lijnstraat de bewoners al gauw de stoeltjes in de voortuin plaatsten en in afwachting van de twee wedstrijden die verreden zouden worden, naar de voorbijgangers loerden die van buiten de buurt kwamen. Dat waren meestal supporters, naaste familieleden van de renners.
Eén daarvan was een zeer opvallende verschijning en wekte het nodige fluisterende commentaar op: De trotse moeder van de bekende coureur Jan Hennink, eigenaresse van een café in de binnenstad. Voor die tijd zwaar opgemaakt en met hoog opgestoken, geblondeerde haren deinde ze over het trottoir in ons burgermansbuurtje.
Jan was haar oogappel en hij reed dan ook altijd op het nieuwste materiaal.
In tegenstelling tot Klaas Slot, zoals velen in die dagen een arme donder in het peloton, maar voor ons de grote favoriet.
Want vooral bij de jeugd van het overwegend politiek linkse Rochdale, was vandaag de klassestrijd ineens weer duidelijk voelbaar.

gesch_dl7_f3.png
Peloton tijdens De Ronde van Alkmaar in 1960 Langs de Nic. Beetskade reed nog doorgaand verkeer!

Het optreden van Klaas tijdens de koers wekte vaak enthousiasme, maar ook stomme verbazing als hij weer eens uitliep en soms tientallen ronden alleen voor bleef rijden. Foeterend omdat niemand hem bijstond om een flinke kopgroep te vormen.
Enkele ronden voor het einde werd zijn harde werken afgestraft als de grote groep hem opslokte. Maar ondertussen had hij met enig geluk een paar premies verdiend door als eerste de finishlijn te passeren.
Want daar loerden ze op. Als de omroeper weer eens hard in de microfoon had gespuugd om te controleren of dat ding het nog wel deed en vervolgens aankondigde ………:

“Heren renners opgelet, bij het passeren van de streep klinkt de bel. Bij de volgende doorkomst wordt een premie uitgeloofd van 2,50 gulden door fruithandelaar Helderman, hier op het parcours aanwezig met zijn sappige sinaasappelen …,”

……… dan kromden zich de ruggen. Want voor dat geld moest in 1948 een arbeider twee uur werken.

Nog ruik ik de geur van de bruinachtige massage-olie op de benen van de renners, als ze vlak langs de stoeprand voorbij zoefden en nog hoor ik het gesnuif als ze hun neus leegden, waarbij de fluimen snot vaak op de zondagse kleren van de toeschouwers kwakten.
Maar ook zie ik de bloedende schaafwonden aan armen en benen als er weer een valpartij was geweest. Vooral in de te scherpe bocht bij de Jan van Scorelbrug, die in wijzerrichting moest worden genomen. Dan haakten de pedalen en sturen vaak in elkaar en kraakten het meest nog gammele materiaal en de lijven.
Gelukkig waren er altijd de helpers van het Rode Kruis, bij gebrek aan beter gekleed in afdankertjes van de landmacht en herkenbaar aan hun witte armband met een rood kruis. Onder leiding van de heer Ulders uit het Bergerhof wandelden zij de hele middag verspreid langs het parcours. Tegen het einde van de wedstrijd trok veel publiek naar de “meet” en vulde daar de trottoirs drie-vier rijen dik. Voor ons kontkrummeltjes was het zinloos om je er tussen te wringen, want je zag dan toch niets.
Tijdens de eindsprint hadden de overige toeschouwers de rest van het parcours al bijna verlaten en haalden de bewoners hun tuinstoeltjes weer naar binnen.
De ereronde voor de winnaar was dan ook altijd een zielige anticlimax, als hij daar zwaaiend met zijn bos bloemen door stille straten reed……..

Een onvergetelijke jeugdherinnering.

Jan E. Hooijberg

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.