Zomaar een bewoner van de Bergerweg

BLAEUSTRAATKWARTIER GESCHIEDENIS Deel 5
door Jan E. Hooijberg

Jan Brasser was 31 jaar toen hij zich in 1886 als warmoezenier met zijn Jansje aan de Bergerweg in Alkmaar vestigde. Hij was tuinman geweest in Uitgeest en begon hier een eigen bedrijfje in aardappelen en groenten, op de plek waar ruim 70 jaar later twee huishoudscholen zouden worden geopend.
Het echtpaar kreeg vijf kinderen.
Van de beide dochters overleed de oudste al in 1914 op 19-jarige leeftijd. De jongste was geestesziek en stierf in 1934 op 32-jarige leeftijd in het Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch in Castricum.
De drie jongens werden al jong op de tuin ingezet maar de jongste ontworstelde zich daar min of meer aan en begon in Amsterdam als kantoorbediende een ander leven.
De beide anderen bleven groenten telen en verkopen: Ze waren dus groenteboeren.

In 1922 stierf moeder Jansje.
Haar overgebleven kinderen, de oudste inmiddels 33 jaar, waren allen ongehuwd. Waarschijnlijk is toen bij de mannen in dat kleine huisje, gelegen ver beneden het maaiveld en net als de tuinen ernaast behoorlijk vochtig, langzaam de vervuiling toegeslagen.

gesch_dl5_f1.png
Bergerweg omstreeks 1920 met links de tuinen van Brasser In de verte de pijp van de conservenfabriek Hoogenstraaten.

In 1931 was de Bergerweg tussen de spoorlijn en de Hoeverweg verbreed en van een riolering voorzien en vanaf 1932 voeren in de pasverlegde Houtvaart de zandvletten af en aan.
Voor de bouw van een nieuwe woonwijk moest overal de grond worden opgehoogd:
Eerst kwamen er hier en daar wat huizen in de Blaeustraat en langs de Bergerweg in de meest westelijke punt van onze buurt; spoedig daarna volgde Rochdale en na 1934 de Van der Lijnstraat en de Bisschop Bottemannestraat.
De tuinen van Brasser kwamen hierdoor in een soort kuil te liggen.
Toen in 1936 vader Jan overleed, bleven de vrijgezellen broers in de donkere, verpauperde woning als twee zonderlingen achter.
De kantoorman was inmiddels een geheimzinnige onbekende geworden.

gesch_dl5_f2.png
Van der Lijnstraat in 1934; de vier huizen aan de zuidzijde zijn al bewoond. Het trottoir wordt afgesloten door een houten hek om te voorkomen dat voetgangers in de prutsloot zullen tuimelen die langs het land van Brasser ligt. Achter dat land staan de boompjes langs de Bergerweg. Op de voorgrond, bij het kruispunt met de Houtmanstraat moeten onder andere de melkwinkel van Groenhart (1935) en de kapsalon van Komen (1937) nog gebouwd worden.

Bij één van de andere broers begon zich langzamerhand een lichamelijk lijden te vertonen. Hij werd nog maar een enkele maal op straat gezien, strompelend langs de tuinhekjes, intens vermagerd en met de kleur van een lijk. Soms stond hij zomaar ergens op het trottoir over te geven, waarbij hij in zijn ellende hartgrondig vloekte.
Kinderen waren als de dood zo bang voor hem.
Een bewoonster van het eerste uur vertelde me onlangs hoe ze van haar moeder wel eens een vergeten boodschap moest halen bij de Brassers thuis. Ze riep met haar verhaal bij mij dezelfde gevoelens op die ook ik op dergelijke momenten had. Langs de zijkant van het huis liep je schuchter naar de achterdeur die altijd los was. Je opende die voorzichtig en riep “volk”, terwijl je op de drempel in een donker hol staarde, hopend dat de gevreesde broer maar niet kankerend uit de duisternis tevoorschijn zou komen.
De bekendste Brasser trok ondertussen overdag met zijn paard en wagen langs de klanten in de buurt.
Gehavende kleding, ongeschoren en met tot diep in de poriën doorgedrongen vuil van het jarenlang wroeten in de grond, zo zag hij eruit als een zwerver.
En de geur die rond hem hing was daarmee in overeenstemming!
Maar hij was goudeerlijk. Zijn prijzen waren scherp en de kwaliteit van zijn handel was goed. Toch moesten huisvrouwen vaak over een drempel stappen voor ze bij Brasser kochten. Hij wuifde hun kritische blikken en opmerkingen echter altijd weg met zijn standaardgezegde: “Kleren maken wel de man maar niet de mens!”
Ooit zou hij het plan hebben gehad te emigreren en volgde hij daartoe een cursus Engels voor landbouwers. Als hij mij zag toonde hij zijn kennis door het noemen van de Engelse namen van zijn handelswaar. Zo was het eerste woord Engels dat ik kende: Cauliflower.
In zijn tuinen werd Brasser inmiddels bijgestaan door een debiel knechtje: Jopie, die altijd op handen en knieën door de modder kroop, met een eeuwig alpinopetje op zijn hoofd. Als kinderen door de Van der Lijnstraat liepen en dat petje boven de aardappelplanten zagen uitsteken, riepen ze hem: “Jopie!”
Daarmee ontlokten ze steevast zijn reactie:”Knopie op een schijthopie!”

gesch_dl5_f3.png
Van der Lijnstraat in 1939.

Omstreeks 1950 startte de gemeente een onteigeningsprocedure tegen de Brassers want het algemeen belang eiste dat op de grond scholen werden gebouwd.
De broers weigerden mee te werken en begonnen met een advocaat een strijd tegen de overheid die lange tijd voortsleepte. De buurt kon door de uitgebreide berichtgeving in de krant de ontwikkelingen volgen.
En ze wonnen, waardoor ze een aanzienlijk hoger bedrag in de wacht sleepten dan in eerste instantie was geboden.

In de laatste dagen van zijn bestaan als groenteboer bleek Brasser een rijk man geworden. Ronduit beschamend was het te zien hoe sommige buurtbewoners toen bij de vrijgezel in het gevlij trachtten te komen:
Hoe in de Blaeustraat een vader regelmatig zijn nuffig dochtertje van een jaar of vijf op de bok van de wagen zette en overdreven blij lachend zei: “Zeg meneer Brasser eens vriendelijk gedag”.
Ineens leken ze het vieze geurtje, dat om hem hing, niet meer te ruiken.
Pecunia non olet.

Na het vertrek van hun geboortegrond gingen ze in één van de huisjes aan de Bergerweg tussen de Wognumsebuurt en de Houtvaartbrug wonen.
Ze verdwenen uit het straatbeeld en raakten daarmee al in de nadagen van hun leven min of meer in vergetelheid.

gesch_dl5_f3a.png
In 1952 zijn de tuinen van Brasser verdwenen. De grond wordt klaargemaakt voor scholenbouw. Vanuit de Van der Lijnstraat zien de bewoners sinds kort aan de overkant van de Bergerweg duplexwoningen voor de opvang van Indische repatrianten

 

gesch_dl5_f4.png
Van der Lijnstraat in 1957 Twee buurtmeisjes, Elly de Groot en Elly Kat, voor de nieuwe Nobelschool

 

  Jan E. Hooijberg
(Met dank aan mevr. E van Assendelft-Kat.)

2 gedachten over “Zomaar een bewoner van de Bergerweg”

  1. De mededeling dat het echtpaar vijf kinderen kreeg blijkt niet helemaal correct, ze kregen zeven kinderen waarvan er echter twee slechts iets meer dan een jaar oud werden: Renee Susanne werd geboren in 1893 en overleed in 1894, Gerrit werd geboren in 1897 en overleed vervolgens in 1898. Weer een jaar later werd de zoon Gerrit geboren die op latere leeftijd naar Amsterdam vertrok.

  2. De bekende Brasser met paard en wagen rolde mij (kleine jongen 6 jaar)over de grond wel eens een appeltje toe ik vond hem een vrolijke man.
    Ik ben daarna in mijn leven veel soortgelijke Brassers mogen ontmoeten die in staat waren om licht te toveren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.